Overheidsondernemingen, waaronder gemeenten, zijn sinds 1 januari 2016 over hun ondernemingsactiviteiten in beginsel belastingplichtig voor de vpb. Er loopt een traject van de gemeente, ondersteunt door een externe fiscalist, om het gemeentelijk standpunt dat zij niet VPB plichtig is voor grondexploitaties te herijken. Op advies van de externe fiscalist doet de gemeente aangifte vpb en maakt bezwaar zodra de aanslag wordt opgelegd. Deze procedure wordt gevolgd ter voorkoming van belastingrente. In 2024 is de gemeente in overleg gegaan met de belastingdienst om zekerheid te verkrijgen over grondexploitaties en vpb plicht. In 2025 heeft de gemeente nog geen reactie van de Belastingdienst ontvangen op het gemeentelijk standpunt. Naar verwachting komt de reactie van de Belastingdienst in 2026.
Tijdens dit proces ontvangt de gemeente een voorlopige aanslag vpb. Deze aanslag wordt in eerste instantie voldaan. De verwachting is dat het gemeentelijk standpunt door de Belastingdienst wordt bevestigd. Er is een risico dat de Belastingdienst het standpunt niet bevestigd en daarmee wordt dit risico onderdeel van de risicoparagraaf in de jaarrekening. Het risico is ingeschat op € 140.000 (een toekomstige latente vpb plicht van € 700.000 voor de afloop van de huidige grondportefeuille en een kans van 20% dat dit risico zich voordoet).